Financieel Dagblad

Museum voor de lol

De verzameling van Geert Steinmeijer (63) in het nieuwe Museum No Hero is vooral veel níét. Ze is niet eenduidig. Er hangt en staat van alles, laatmiddeleeuwse kunst, abstracte Amerikanen uit de jaren vijftig en zestig, Chinees porselein, figuratieve Duitse Wilden. Ze is niet Nederlands. Ja, er hangen een paar werken uit de Haagse School, maar voor de verandering nu eens tussen hun internationale bloedbroeders. En de verzameling is ook beslist niet calvinistisch. Want calvinisme, daar heeft Steinmeijer een hekel aan.

Tegenwoordig is het en vogue om als verzamelaar verschillende soorten kunst uit diverse eeuwen en landen te combineren, maar twintig jaar geleden, toen Steinmeijer serieus gingverzamelen, werd dat heel vreemd gevonden. ‘Je weet niet wat je wilt’, kreeg hij te horen­. ‘Nou, ik weet heel goed wat ik wil’, zegt hij in zijn museum, waar nog volop getimmerd­ wordt. ‘Naar een abstracte Frank Stella kan ik een uur kijken, maar Rembrandt vind ik ook fantastisch. Ik zat toen in de fashion en ik kwam voor de modeshoots overal, Miami, Curaçao, Shanghai. Dat calvinistische Nederland, daar begon ik langzamerhand genoeg van te krijgen.’

En zo komt het dat in Delden (Overijssel) kunst hangt die zelden tot nooit in Nederland te zien is, zoals de academische Franse schilderkunst uit de periode 1880-1900, of hedendaagse Chinese kunst. 

Vijf bypasses

Steinmeijer is naar eigen zeggen opgegroeid in een fabrikantenmilieu met ‘een schilderijtje aan de wand’. Het kunstvirus liep hij pas later in zijn leven op, toen hij via zijn werk eerst Frans Molenaar leerde kennen en daarna Jan des Bouvrie, die hem op sleeptouw namen. Zijn eerste aankoop was een werk van Leo Gestel, Bergense School. Maar doordat zijn blik naarmate hij meer ging reizen steeds ruimer werd, besloot Steinmeijer rond 2000 zijn hele toenmalige­ Nederlandse­ collectie – op de Gestel na – de deur uit te doen .

Hij laat zich bij zijn aankopenleiden door zijn gevoel, zegt hij, door zijn stemming. En omdat die nog weleens omslaat, zit er in zijn verzameling wuft en uitbundig, maar ook heel sereen werk. Op een gegeven moment, zo rond 2006, begon­ hij bijvoorbeeld wat vermoeid te raken van die altijd maar politiek geladen figuratieve Chinese schilderkunst. Dat was het moment dat hij zijn eerste Frank Stella kocht, kunst die over niets anders gaat dan over zichzelf.

Goed, dan heb je een mooie verzameling, maar waarom dan ook nog een eigen museum? Dat komt door 2012, vertelt Steinmeijer. ‘Toen heb ik een ontzettend slecht jaar gehad, zowel zakelijk als qua gezondheid. Hartaanval, vijf bypasses. De mokerslag kwam binnen: het leven is eindig.’

Steinmeijer was destijds ‘recovery manager’, iemand die slechtlopende bedrijven weer een slinger geeft. ‘Daar was ik wel klaar mee. Balansjes lezen, muntjes tellen, een lege bezigheid. Als doel in het leven is geld veel te mager. Ik heb een deel van mijn aandelenportefeuille verkocht en heb mijn leven in een ander ritme gezet. Als ik vroeger om twee uur aankwam in China, had ik om drie uur mijn eerste afspraak. Dat soort flauwekul doe ik echt niet meer.’

Steinmeijer geeft nu leiding aan tuinmeubelmaker Hartman, die hij in 2005 kocht na een faillissement. Maar dat is ‘een leuke job, iets positiefs’, zegt hij. Hij houdt in ieder geval tijd over voor de kunst. ‘Dat heeft me nóg meer plezier gebracht.’

Het Rijksmuseum Twenthe heeft tot twee keer toe kunst van Steinmeijer getoond, in 2009 Red Storm, met de hedendaagse Chinese kunst, en in 2010 Abstract USA, met de Amerikaanse schilders uit de jaren vijftig en zestig. Het had voor de hand gelegen de banden met het Enschedese museum nog verder aan te halen, maar daar zag Steinmeijer van af. ‘Dat heeft niets met het Rijksmuseum Twenthe te maken, maar Nederlandse musea worden afgerekend op onder meer bezoekcijfers. Sommige hebben zelfs blockbustermanagers in dienst, zetten paginagrote advertenties in kranten en de directeur is ’s avonds op tv bij DWDD. In dat stelsel voelt ome Geert zich niet thuis.’

Vandaar de naam van het museum, No Hero, wat ook de naam is van de stichting waarin Steinmeijer zijn kunst heeft ondergebracht. Tot voor kort hield Steinmeijer het stil dat hij kunst verzamelde, hij was ‘no hero’. En nu hij er wel mee naar buiten treedt, hoeft hij nog steeds niet zo nodig op de voorgrond. ‘No Hero als naam is internationaal, het zegt iets over mij en het geeft aan dat dit geen standaardmuseum is.’

"De mokerslag kwam binnen: het leven is eindig"

Maar 1 Appel

No Hero is gevestigd in het oude rentmeestershuis van landgoed Twickel. De sfeer, de harmonie tussen tuin en gebouw: Steinmeijer was direct verkocht toen hij het zag. Alleen kostte het nog wel drie jaar om het rijksmonument, dat al dertig jaar leegstond, te verbouwen.

‘Ik denk dat wij iets gaan toevoegen aan het Nederlandse museumlandschap, juist doordat wij bewust géén Nederlands erfgoed tonen. In Nederlandse musea voel ik me soms zo’n provinciaaltje. Ik denk dat bezoekers die hier komen zich zullen verrijken, als ze straks ons verhaal bij die kunst horen. Ons doel is dat de bezoekers gelukkiger weggaan dan toen ze kwamen.’

Hoeveel bezoekers moeten hier jaarlijks komen om het tot een succes te maken? Die vraag lacht Steinmeijer weg. ‘Daar heb ik allemaal geen last van. We doen dit omdat we het leuk vinden.’

Maar zal het Nederlandse publiek een museum begrijpen dat Chinees porselein toont naast wilde Duitse schilders? Steinmeijer: ‘HetLouvre, het best bezochte museum ter wereld, toont toch ook kunst van 7000 voor Christus tot de 20ste eeuw? Dat is ons calvinistische denken, daar moeten we vanaf. Ik denk dat het publiek helemaal niet zo bekrompen is. Het is juist leuk dat je hier geen honderd Karel Appels hebt, want op een gegeven moment is dat verhaal wel duidelijk. Ik heb maar één Appel, uit 1953, toen hij in Parijs zat. Maar dat vind ik nog steeds de mooiste Appel die er is.’ 

Hilda Bouma 

"Ik denk dat het publiek helemaal niet zo bekrompen is. Het is juist leuk dat je hier geen honderd Karel Appels hebt, want op een gegeven moment is dat verhaal wel duidelijk. "