Outside

15 april 2018 - 28 oktober 2018

De negentiende eeuw is een eeuw van verandering, niet alleen op sociaal vlak, maar zeker ook op het gebied van de kunsten. Kunststromingen en vernieuwingen volgen elkaar in snel tempo op en hoewel de meeste veranderingen beginnen in Parijs sijpelen deze door naar de rest van Europa en ook naar Nederland. Halverwege de negentiende eeuw begint in Nederland de beweging van de Haagse School. De tentoonstelling Outside geeft een beeld van de (internationale) belangstelling voor deze stroming en de ontwikkeling daarvan in binnen- en buitenland.

'En plein air'

 

De Industriële Revolutie neemt in de negentiende eeuw een enorme vlucht en ook in de wetenschap worden verschillende ontdekkingen gedaan die belangrijk zijn voor de kunsten. Zo wordt de sneldrogende olieverf in tubes uitgevonden, waardoor schilders niet langer gebonden zijn aan hun atelier en in de open lucht kunnen gaan schilderen. Schilders trekken eropuit met verfmateriaal, hun schildersezels met doek en proberen de sfeer van het moderne leven of de natuur te vangen.

 Dat kunstenaars in de buitenlucht gaan schilderen, begint vooral in Frankrijk en wordt dan ook wel ‘en plein air’ genoemd, een letterlijke vertaling voor “in de buitenlucht”. De eerste, Franse schilders die in de buitenlucht gaan schilderen, staan bekend als ‘De school van Barbizon’ naar het plaatsje waar zij met de trein (nog zo'n negentiende eeuwse uitvinding!) naartoe reisden om te gaan schilderen. De Barbizonkunstenaars waren vooral bezig met het realistisch weergeven van de natuur als reactie op de geïdealiseerde landschappen die schilders in de Romantiek maakten.

Kunstenaars

Jacob en Willem Maris

Jacob (1837-1899) en Willem (1844-1910) Maris groeiden op in een gezin met zes kinderen. Het gezin bleek een artistieke voedingsbodem, want naast Jacob en Willem werd ook hun broer Matthijs kunstenaar. De vader van de broers werkte als meester-drukker in Den Haag en nam vaak prenten van bekende schilderijen mee naar huis. Zodoende werden de broers geïntroduceerd in de kunsten. Ze begonnen hun opleiding tot schilder in Den Haag. Op een reis naar Parijs maakte Jacob kennis met de kunst van de ‘School van Barbizon’ en let hij ook zijn broer willem kennis maken met deze kunst. Beiden horen zij tot de grondleggers van de kenmerkende stijl van de Haagse School.

Hendrik Willem Mesdag

Hendrik Willem Mesdag (1831-1915) werd geboren in Groningen en nam aanvankelijk op aandringen van familie een baan aan in de zakenwereld, ondanks zijn interesse in de kunst. Pas in 1866 besloot hij zich volledig op de kunst te gaan richten en via zijn neef Lourens Alma-Tadema leerde hij bekende mensen in de kunstwereld kennen. In 1869 verhuist hij naar Den Haag en vestigt zich daar om vooral zeegezichten te gaan schilderen. Naast zijn carrière als schilder blijft hij bezig met zakendoen en wordt collectioneur; hij bezat dan ook een grote kunstcollectie. De kunstcollectie die Mesdag zich verwierf is nog steeds te zien in Den Haag.

Paul Joseph Constantin Gabriël

Paul Joseph Constantin Gabriël (1828-1903) ging als zoon van een schilder en beeldhouwer als vanzelfsprekend naar de Rijksakademie voor Beeldende kunsten in Amsterdam. Hij begon zijn werkzaamheden in Haarlem en sloot zich uiteindelijk aan bij de schilders die in de traditie van de Barbizonkunstenaars werkten. In tegenstelling tot de andere schilders van de Haagse School maakte Gabriël gebruik van een licht kleurenpalet.

De Haagse school

De Haagse School kan gezien worden als de Nederlandse reactie op de School van Barbizon. De Haagse School is een groep kunstenaars die zich rond 1850 in Den Haag vestigde waar een bloeiend kunstklimaat heerste. De jonge kunstenaars wilden zich ook afzetten tegen de Romantische kunst van hun leermeesters en begonnen de natuur rondom Den Haag realistisch af te beelden. Ze kozen voor typische Hollandse landschappen, de polders en rivierlandschappen met koeien, maar ook het strand en de schepen bij de Scheveningen. Ze besteedden vooral veel aandacht aan het afbeelden van licht en de atmosfeer, waardoor hun schilderijen een breuk vormen met de eerdere Nederlandse schilderkunst.

Dat de schilders niet per se bezig waren met het schilderen van onderwerpen, maar eerder met het weergeven van licht op een bepaald moment, blijkt uit een uitspraak van Gerard Bilders (1838-1865):

"Het is mijn doel niet, een koe te schilderen om de koe, noch een boom om den boom; het is om door het geheel een indruk te weeg te brengen, dien de natuur somtijds maakt."

Hoewel er verbanden te zien zijn tussen het werk van de Haagse School en dat van zeventiende-eeuwse landschapsschilders, was het werk uit de negentiende eeuw veel rauwer. Er werd, zeker in de beginjaren, veel gebruikt gemaakt van grijstinten.

De collectie

Naast werken van de Haagse School bestaat de collectie ook uit internationale kunstenaars die in dezelfde traditie werken als de Haagse kunstenaars. Op de tentoonstelling is onder andere werk te zien van Jean-Léon Gérôme en Charles Francois Daubigny.

Barques au large
Le Pond de Bezons
Molen bij avond

De eerste successen

De beginjaren van de Haagse School waren niet gekenmerkt door grote successen. Kunstcritici wezen de werken door de grote hoeveelheid grijs af en vonden het niet in het straatje van de op dat moment succesvolle kunst passen. De kunstenaars trokken zich weinig aan van de kritiek en gingen door met het schilderen van landschappen op hun manier. Pas rond 1870 krijgt de Haagse School haar eerste successen, wat ook kwam mede door de bloeiende kunsthandel in Den Haag. Daarnaast woonden in Den Haag relatief veel vermogende particuliere verzamelaars die daadwerkelijk bereid waren te investeren in kunst. Ook werden veel werken verkocht aan buitenlandse verzamelaars in Engelssprekende landen, waardoor de schilders ook successen kregen in Engeland en Amerika.

Tijdens de grote internationale tentoonstellingen die in de negentiende eeuw door heel Europa werden gehouden, kregen de kunstenaars ook in Europa veel aandacht. Na deze buitenlandse successen kon de Nederlandse pers niet meer uitblijven en verschenen de eerste, positieve kritieken in de kranten. Uit deze kritieken kwam uiteindelijk ook de naam voor de stroming en werden de kunstenaars voortaan door iedereen leden van de Haagse School genoemd. Door al deze impulsen groeide Den Haag uit tot een echte kunstenaarsstad met een bloeiende kunstenaarsscene en veel kunsthandels.